Posts tonen met het label istanbul. Alle posts tonen
Posts tonen met het label istanbul. Alle posts tonen

maandag 4 januari 2010

My name is red

Eind November was het offerfeest en lag ik ziek op bed. De halve universiteit was geveld door de Mexicaanse griep, maar nee, voor de laatste keer, ik had het zelf echt niet! Stiekem was ik blij om in bed te liggen, ondanks de festiviteiten. Zoals ze in Dublin het water groen laten kleuren met St. Patricksday en de grachten oranje worden in Amsterdam tijdens Koninginnedag, zo berichtte de krant dat het water van de Bosporus na de eerste dag al rood kleurde. Wat was ik blij dat ik dat niet met eigen ogen hoefde te zien. Het is tegenwoordig verboden om dieren openlijk op straat te slachten maar de suggestie van het slachten is voor mij minstens zo erg, omdat het vooral veel aan mijn fantasie over laat.

Ik was ook al een beetje bezorgd over de ram die ik iedere morgen op weg naar de universiteit langs de kant van de drukke weg zie. Hij staat vast aan een touw, en heeft zijn parasol/ paraplu op zonnige of regenachtige dagen en wat gras binnen graasbereik. Al sinds de zomer geven rode graffiti leuzen en grote borden aan dat het, mochten we er niet zeker over zijn, inderdaad om een ram gaat, en dat hij uitstekend geschikt is om geofferd te worden. Toen ik de dag na het offerfeest weer in de bus zat, zag ik de grote tenten en grijze schuren met borden ‘hier offervee te koop’ nog staan. Ik wachtte met spanning het moment af waarop we mijn ram zouden passeren. Het zag eruit alsof ze goede zaken hadden gedaan, er stonden grotere borden langs de kant van de weg en mensen waren druk aan het schoonmaken en opruimen. Maar tot mijn grote opluchting zag ik tussen alle mensen door mijn ram, nog steeds aan zijn paaltje, onder zijn paraplu en besefte ik dat slachtfeest helemaal niet zo erg moest zijn geweest.

De afgelopen weken waren een drukte van jewelste en al snel naderde de kerst. Uiteraard wordt er hier niet echt aan kerst gedaan, dus een echt kerstgevoel liet lang op zich wachten. Voor mij persoonlijk was dat een heerlijk gevoel, maar helemaal niets vieren zou toch ook wel jammer zijn. We besloten wel een kerstfeest te geven, dus we gingen op zoek naar prachtige rode, zilveren en liever geen gouden versieringen en een kerstboom. We kwamen er al snel achter dat al deze dingen wel verkocht worden, maar dat ze eigenlijk voor Nieuwjaarsavond zijn. Zo hebben de kerstmutsen slogans met ‘2010’ erop, en kwamen we de Kerstman pas op 31 december op straat tegen. Voor volgend jaar moet ik ook onthouden dat je cadeautjes niet onder de kerstboom krijgt, maar op 1 januari. Ook konden we bij Çiya pas na Thanksgiving en kerst onze bestelling voor gevulde kalkoen doorgeven…

Uiteindelijk hadden we toch onze kerstboom, een interessant en onverwacht kerstdiner en ons feest. Het feest bracht enkele verschillende groepen mensen samen en dat leidde tot een prachtige mengelmoes van intellectuele studenten, hooggehakte en kortgerokte dames, docenten Engels die op hun werk geen slecht woord over hun werk mogen spuien, moslims die andere moslims schuwden, koude en door de regen doordrenkte vrienden, en kennissen die in meerdere of geen van deze groepen thuis bleken te horen. Er was weinig kerst aan het feest, maar waarschijnlijk juist daarom was het een geslaagde kerst.

Wat ik in Istanbul probeer te bereiken is het doen van dingen waar ik niet goed in ben, en daar van te leren. Op den duur zal het vast niet meer voelen alsof ik mezelf probeer te saboteren… Zo had ik de week voor de kerst mijn eerste lezing in een symposiumworkshop, in het Sabanci Museum in Emirgan. Verblind door mijn zenuwen vergat ik mijn handschoenen op de boot. Toen de boot uit de haven vertrok, rende een van de bemanningsleden naar de reling en riep me na, al zwaaiend met mijn handschoenen, zoals in een zwart-wit film waarin twee geliefden afscheid van elkaar nemen of elkaar net missen en weten dat ze elkaar nooit meer terug zullen zien. Het was al te laat, de boot was al net buiten mijn bereik en daar gingen mijn handschoenen. Het was waarschijnlijk een voorbode voor mijn lezing, waarin de tijd ook net niet voldoende was om mijn hele verhaal te vertellen en af te ronden.

Voordat het kerstfeest begon reisde ik weer af naar Emirgan naar het Sabanci Museum. De zon die ons tegemoet scheen had het noodweer van die avond niet kunnen voorspellen. Ik zou die dag een rondleiding geven bij de nieuwe tentoonstelling “Love by any other name/ Nam-ı diğer aşk” over de relatie tussen Istanbul en Venetië ten tijde van het Osmaanse Rijk. Ondanks dat die relatie vooral op oorlog, handel en bloedvergieten is gebaseerd, ligt in deze tentoonstelling de nadruk op liefde zoals de titel ons al doet raden. Bij het zien van de tentoonstelling begrijp je eigenlijk niet waarom die naam gekozen is. Dus om het thema uit te buiten koos ik de grote wereldkaart van Haccı Ahmed in de vorm van een hart als mijn topstuk van de tentoonstelling en legde ik aan de bezoekers uit dat toen de Venetianen en Osmanen een wapenstilstand afkondigden in de 15e eeuw, zij dit zelf in het Grieks niet het besluiten van vrede (to make peace), maar eerder het bedrijven van de liefde (to make love) noemden. Ondanks mijn zenuwen heb ik mijn verhaal van liefde toch over kunnen brengen, door te vertellen over de overeenkomsten in de kunst die zij maakten. Van het grootste exemplaar van rode zijden stof met gouden decoratie kan bijvoorbeeld niet achterhaald worden aan de hand van het aantal knopen, de afwerking of het motief, of het in Venetië of het Osmaanse Rijk vervaardigd is. De wederzijdse bewondering, maar ook de verschillen tussen en invloeden van oost en west die zij zelf bewust of onbewust weergaven in manuscripten, tapijten, portretten, boeken en panorama’s geven deze haat-liefde verhouding prachtig weer.

En 17 januari mag ik deze liefdesverhouding weer uitgebreid verkondigen...

woensdag 18 november 2009

Tebdil-i mekânda hayır vardır – er is zegening in verandering van plek


Verhuizen naar een ander land heeft bijna hetzelfde effect als sterven. Althans voor je omgeving dan. Je laat niet alleen je huis en leven achter, ook je dierbaren blijven achter en zij zullen je leven vanaf nu op telefoon-, mail- of blog-afstand beleven. Normaal gesproken spreken mensen pas hun diepste gevoelens uit over hun geliefden wanneer zij eenmaal overleden zijn. Maar, nu blijkt ook dat wanneer je voor langere tijd van plek verandert, oude én nieuwe vrienden hun gevoelens van trots, steun, verbondenheid en liefde openlijk tonen. Banden met sommige oude vrienden en familie versterken naarmate de afstand groter wordt. Banden met nieuwe vrienden versterken door een bijzonder samenspel van herkenning in de ander, gebruik van een niet-eigen taal en wie zal weten wat nog meer. Zou niet iedereen dit heerlijke gevoel willen hebben voordat we in de hemel hetzij hel belanden?

Misschien ligt het wel aan het feit dat wanneer je in een andere stad, in een ander land woont, dat je gevoel van tijd en plaats verandert en je in een soort schemer plaatsneemt vanuit waar je het gevoel hebt helder te kunnen reflecteren over hetgeen voor en na het moment van vertrek. Ik ben overweldigd door een soort gevoel van tevredenheid over dingen die ik eerst niet waardeerde, zaken waar ik geen aandacht aan schonk en ervaringen waarvan ik nu niet meer weet of ik ze toen eigenlijk wel leuk vond. De tijd en ruimte veranderen je herinneringen en kleuren ze.

Ik herinner me dat ik het twee jaar geleden over het algemeen niet heel erg naar mijn zin had in Istanbul. Ook viel er over de universiteit wel het een en ander negatiefs te zeggen. Een oud, slecht onderhouden huis, vermoeidheid, stress. “Turkey says nooo” was een expressie die in die tijd nog in de kinderschoenen stond en daardoor misschien wel extra impact had. Toch besloot ik weer naar dezelfde stad, dezelfde universiteit en dezelfde stress terug te gaan. Is het nu anders?

Nee, het is niet anders, de tijd en ruimte zijn precies hetzelfde, ik woon in een oud, ietwat kaal huis, er valt nog heel wat te veranderen op deze grijs-grauwe, enigszins elitaire universiteit, “Turkey says nooo” minstens eenmaal per dag en ik kom iedere dag behoorlijk moe thuis. Toch is er wel degelijk iets veranderd: ik. Ik merk dat in de afgelopen twee jaar mijn karakter en mentaliteit zijn veranderd, en door naar Istanbul te komen voor een tweede keer is dit proces zelfs versneld. De continuïteit van tijd en ruimte in Istanbul waar ik voorheen zo'n moeite mee had, geven me nu nieuwe energie en een beschouwende houding waarin al mijn oude herinneringen plotseling sterk van kleur veranderen.

Veel van deze oude herinneringen gaan terug naar mijn jaren op de middelbare school. Hoe verafschuw je het op die leeftijd dat je voor Nederlands, Duits, Frans, Engels en Spaans saaie literatuur moet lezen en er ook nog iets zinnigs over behoort te zeggen. Daarnaast moesten we verplicht naar toneelstukken, operettes, optredens van oude Griekse tragedies of Engelse toneelstukken. Nu waardeer ik het des te meer dat ik de mooiste werken in hun oorspronkelijke taal kan lezen en in mijn vrije tijd, Tolstoj (oke, oke, niet in de oorspronkelijke taal, maar toch) of Kafka lees. En, ook uit eigen wil, voor het eerst in mijn leven naar de opera ben geweest. Naarmate je ouder wordt, begin je te begrijpen waarom je die dingen vroeger moest doen en krijg je waardering voor de herinnering van wat je vergeten was.

Na drie maanden besef ik wel dat het wellicht nooit zal lukken om naast de officieuze en officiele inburgering ook gevoelsmatig een echte Istanbullu te worden. Als dit betekent dat dit ene uurtje tijdverschil tussen Nederland en Istanbul mij deze gelukzalige momenten geeft, soit!

donderdag 29 oktober 2009

Polis, polis – Of het verhaal van bureaucratie en nostalgie

Leven in Istanbul betekent dat je vroeg of laat op audiëntie komt bij de polis, de Turkse politie wel te verstaan. Om officieus een Istanbullu – inwoner van Istanbul - te worden, heb ik vernomen dat eerst je portemonnee ontvreemd dient te worden, voordat je tot de echte incrowd behoort. Dit liet ik dan maar gauw gebeuren zodat ik snel bij het lokale politiebureau van Kadiköy op bezoek kon komen. Vijf politieagenten hangen achter hun computer, en nummer 1 kijkt uiteindelijk op en vraagt wat we komen doen. Nadat we hem het verhaal vertellen van mijn ontvreemde portemonnee, verwijst hij ons door naar nummer 5. We gaan zitten en wanneer hij met tegenzin ons te woord staat, beseft hij dat hij een verslag zal moeten maken.

Ik herinner me de naam van de drukke straat waarop mijn portemonnee werd meegenomen, maar nummer 5 keek me niet begrijpend aan, nee van die straat heeft hij nog nooit gehoord. Nummer 4 begint zich nu ook vanachter zijn computer met ons te bemoeien, een buitenlandse dame, dat is toch wel interessant. Nummer 1 houdt zich ondertussen bezig met een jongentje dat is binnengebracht en naar horen zeggen 10.000 dollar heeft gestolen. Hij huilt tranen met tuiten en nummer 2 en 3 kijken geïrriteerd op vanachter hun pc en zakken dan weer verveeld onderuit in hun stoel. Na een half uur vraagt nummer 5 waarom ik in vredesnaam naar Turkije ben gekomen, ik kan toch veel beter naar Amerika gaan? Istanbul is vreselijk,en Kadiköy is toch wel de gevaarlijkste plek van Istanbul, niets voor een dame zoals ik. Ik vraag me stiekem af hoe het zou komen dan, dat Kadiköy zo gevaarlijk is, terwijl er toch zoveel politieagenten zijn …. 4 handtekeningen later stap ik opgelucht het politiebureau uit met een mooi rapportje in het Turks voor mijn verzekering als bewijs dat ik een Istanbullu ben.

Vervolgens werd het tijd voor mijn officiële inburgering in Istanbul, de verblijfsvergunning. Het grote politiebureau aan de andere kant van Istanbul is voor studenten, importbruiden en expats een soort onvermijdelijke nachtmerrie. Ik wist dat het lang zou gaan duren, dus ik had me goed voorbereid en mijn laptop meegenomen. In de acht uur die ik daar doorbracht, had ik bijna mijn gehele paper geschreven, mijn lunch en diner genuttigd en kennis gemaakt met mijn lotgenoten. Prachtig slanke hoogblonde dames vergezeld van stevige uitsmijters, vermoeide Chinese studenten en gesluierde Arabische dames zitten rij aan rij, met hun nummertje in hun hand. Nog maar 186 wachtenden voor u volgens het nummertje in mijn hand…

Onderdeel van mijn promotie in Istanbul is eerstejaars studenten onderwijzen in de wereldgeschiedenis. Met de snelheid van de nieuwe Istanbul-Ankara trein racen we door de geschiedenis heen; iedere week een nieuw tijdperk of een nieuwe beschaving. In mijn eerste week ging ik op van de zenuwen de klas binnen en keek gespannen naar mijn 35 jonge studenten. Ik was de dag ervoor er net achter gekomen wat ik hun eigenlijk moest gaan onderwijzen, dus mijn zenuwen waren niet ongegrond. Na vier weken lesgeven heb ik de smaak te pakken en langzaam maar zeker komen alle herinneringen boven van de geschiedenislessen die ik vroeger kreeg.

Ik besef me dat ik nu promoveer in het vakgebied waar ik eigenlijk nooit goed in was. Maar wanneer ik nu terugdenk aan de geschiedenislessen van meneer Pouw, dan denk ik met nostalgie terug aan de toen gevreesde tentamens die we hadden. Ik betrap mezelf erop dat ik het nu leuk vind om net als hij politieke karikaturen in de tentamens te verwerken, om zijn manier van antwoord geven ook aan mijn studenten door te geven. Naïef hoop ik dat mijn studenten het leuk vinden wat ik hun vertel. Toen we vorige week in 2 uur tijd de gehele Griekse beschaving bespraken, dacht ik aan onze docent Grieks. En aan hoe hij ons altijd enthousiast vertelde dat 4 uur per week, 5 jaar lang, niet genoeg was voor de prachtige cultuur en taal van de Grieken.

We spraken over de polis, de Griekse stadsstaat en tijdens het tweede uur van onze les legde ik uit dat het woord Hellenistisch van Hellas komt. “Hellas?” vraagt een student. Ja Hellas, het Griekse woord voor Griekenland. “Griekenland?” vraagt de student. Ja Griekenland, Yunanistan in het Turks. En ja, jeton düştü: het kwartje, ofwel het transportmuntje voor de bus, zeeboot, trein, tram, metro, ferry, tünel en finüküler was gevallen en onze reis zette zich voort.

zaterdag 24 oktober 2009

Eilanden van rust

Het leven in Istanbul bestaat uit het zoeken naar eilanden van rust tussen de 16 miljoen mensen die deze stad bevolken. Deze eilandjes vind je niet zomaar, daar moet je moeite voor doen. Er zijn twee manieren om deze rust te vinden. De eerste is tijdens je vrije dagen op onderzoek gaan in de stad en de geheime theetuinen, cafeetjes op de zesde of zevende verdieping van obscure gebouwen, en de onbeschrijflijke uitzichten ontdekken. De andere manier om deze rust te vinden is héél vroeg opstaan en genieten van rituelen. Rituelen van jezelf maar vooral ook die van anderen.

Iedere ochtend gaat mijn wekker vroeg af en geniet ik in het donker van mijn ontbijt en zet ik mijn balkondeur open. Op de zomerochtenden is de achterbuurman vaak al wakker en wandelt hij rond op zijn terras dat volgepropt is met schuurtjes, ijzer, vogelvoerbakjes en stoelen. Er hangt een lamp aan een lange kabel boven een tuintafel. Zou die lamp het echt doen?

Boven hem is soms de kunstenares al wakker en dan zie ik haar vanuit haar raam met kwasten in de weer. Het groepje katten schikt op wanneer ik hun roep. De buurman groet me en zijn hondje blaft naar de vogels die opvliegen vanuit de boom die door het dak van een van de gebouwen groeit. Dan wordt ook mijn andere buurman wakker. Ondanks dat ik hem nog nooit gezien heb, weet ik van zijn bestaan af doordat hij altijd op hetzelfde tijdstip met zijn rochelritueel begint. (Hé, mijn eiland verdwijnt uit het zicht!) De buurman met het hondje zet zijn jaren-60 muziek aan, ik haal de was van het balkon en sluit de deur.

Ik pak mijn tas in en loop naar de keuken om mijn ontbijtspullen op te ruimen. Daar haalt de winkelier aan de overkant net de paarse hekken van zijn ramen weg en veegt zijn stoepje aan. Hij rangschikt de keukenspullen en ik tel iedere ochtend de enorme gardes die staan uitgestald; nee, er is er nog geen een verkocht.
Ik stap de deur uit om mijn bus te halen die mij over de grootste snelweg naar de universiteit brengt. De winkelier op de benedenverdieping van mijn huis stalt ook zijn spullen uit nu. Ik weet dat hij vanavond wanneer ik terug kom ook alles weer netjes in zal pakken. Nadat hij twee maanden star voor zich uit heeft gestaard toen ik hem groette, heeft hij nu toch wel beseft dat ik blijf en zegt glimlachend goedemorgen terug als ik hem toewens dat het hem makkelijk af moge gaan: ‘kolay gelsin’.

Op straat is het stil en alleen een oude man komt voor zijn dagelijkse ontbijt met krantje bij de bakker. Hij gaat zitten en doet zijn bestelling net wanneer ik voorbij loop. De groenteman is zijn waar aan het uitpakken en schoonspuiten. Zelfs de grote supermarkt is nog niet open op dit tijdstip. Ik steek over en zie dat de straatverkoper zijn vaste plekje weer heeft gevonden en zijn batterijen, schoenveters, nagelschaartjes en sigaretten netjes tegen de pilaar plaatst. Waar zou hij de motivatie vandaan halen om iedere dag met zijn niet verkochte spulletjes van de dag ervoor weer klaar te staan voor voorbijgangers?

Hoewel ik altijd dacht dat Istanbul een grote chaos was, nu heb ik op de vroege ochtend ontdekt dat alle straatverkopers, zwervers, bedelaars, muzikanten, schoenpoetsers en simitçi’s (broodjes-verkopers) hun vaste plekje hebben en zelfs hun vaste klanten hebben. Ik stel me voor dat de simitçi’s nog vroeger dan ik opstaan en naar de verzamelplek van de simitçi’s komen, een sigaretje roken samen, hun broodjes uitzoeken en dan met hun gehuurde karretje elk hun eigen kant opgaan.
Ik loop langs de volgende bakker en daar ligt meneer zwerver zoals ik hem elke dag daar zie op de stoep te slapen. Het is inmiddels al wat drukker maar toch slaapt hij rustig door. Zijn hond is altijd in de buurt te vinden en slaapt in precies dezelfde houding vlak bij hem op de stoep. De bakker of voorbijgangers leggen soms een broodje of iets anders te eten naast hem neer. Als hij wakker wordt zal hij elke ochtend verrast zijn wat de vroege dag hem voor eten heeft gebracht. Ik wacht op de bus samen met mijn klasgenoten, en daar is ze al, de bedelaarster in haar roze vestje en ontbloot been. Ik vraag me af of zij ons ondertussen ook herkent.

We stappen in de bus en weten dat we nog een uur hebben om verder te slapen voordat we aankomen. Ik ga voorin zitten en geniet van de zon die langzaam opkomt en van het feit dat er nog geen file is. Als we op de universiteit aankomen loop ik naar mijn kantoor dat zich in een van de kolossale, strakke, grijze faculteitsgebouwen bevindt. Ondanks dat ik dit hok zonder ramen met tien mensen, en iets minder bureaus deel, is er nog niemand. Ik haal een ‘uzun espresso’ en ga naar buiten. Vanaf de heuvel waarop de gloednieuwe universiteit is gebouwd, kijk ik uit over de jonge bomen, het versgemaaide gras en het industriegebied onder mij. Door het dauw en tegen de zon in zie ik in de verte de zee en ik droom weg. Langzaam drijft mijn eiland van rust af wanneer de campus volstroomt met studenten. Mijn dag in Istanbul begint…